Embassy of the Republic of Slovenia Hague /Igor Žnidaršič /

(copy 1)

Sloveen in Nederland

 

De Nederlandse journalist Igor Znidarsic (53), van oorsprong Sloveen, kijkt terug op het jaar 1991, toen hij de afscheiding van Slovenië van nabij volgde. Hij maakte het uitroepen van de onafhankelijkheid mee en de oorlog die daarop volgde. Terug in Nederland werd hij lid van het Comité Erkenning Slovenië. Het was de enige keer in zijn leven dat hij zich direct met politiek bemoeide.

 

Tekst: Igor Znidarsic

 

In februari 1991 reisde ik als freelance journalist naar Ljubljana om een reportage te maken van Slovenië’s weg naar zelfstandigheid. Vlak daarvoor had bijna negentig procent van de Slovenen middels een referendum gekozen voor onafhankelijkheid. Die uitslag werd nu door de Sloveense politiek stapsgewijs omgezet in de realiteit. Met als voorlopig hoogtepunt amendement 99, dat op 20 februari door het Sloveense parlement met een verpletterende meerderheid werd aangenomen, uiteraard onder hevig protest van de vaste afgezant van het JNA (Joegoslavisch Volksleger) in het parlement.

Slovenië ging nu verder als een ‘zelfstandig, soeverein en onafhankelijk land’ en beschouwde alles buiten de eigen grenzen als buitenland. De federale Joegoslavische regering in Belgrado had er niets meer te zeggen. Slovenië had zichzelf in een confederale positie geplaatst en stelde in hetzelfde amendement voor om Joegoslavië binnen zes maanden ‘met wederzijds goedvinden te ontbinden in twee of meer staten’.

Deze historische gebeurtenis werd op de perstribune bijgewoond door welgeteld één Westerse journalist: mijzelf. Volgens de dame van het perscentrum, waar ik regelmatig binnenliep voor de laatste persberichten, was ik op dat moment zelfs de enige buitenlandse journalist in het land.

Mijn reportage over Slovenië’s niet mis te verstane stappen richting een eigen staat verscheen even later in weekblad HP/De Tijd. Maar ik had niet de indruk dat het artikel veel impact had. Niemand kon zich toen nog voorstellen dat Slovenië en Kroatië zich echt gingen afscheiden en dat Joegoslavië zou ophouden te bestaan.

Later werd het artikel nog aangehaald in het rapport Srebrenica, een ‘veilig’ gebied van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), als ‘bewijs’ dat het conflict in Joegoslavië niet geheel onverwacht was gekomen. ‘Er was in de eerste helft van 1991 bericht over de afscheidingsplannen van Slovenië en Kroatië,’ aldus de NIOD, refererend aan onder meer het artikel.

 

Als freelancer schreef ik toen over zeer uiteenlopende onderwerpen, voor diverse tijdschriften, eigenlijk voor iedereen die maar wilde betalen. Het was werk. Leuk werk, maar er moest wel brood op de plank komen. Het stuk in HP/De Tijd echter was meer dan dat. Ik had het ook voor niks geschreven. Want dit ging over het land waar ik was geboren en waar ik een groot deel van mijn jeugd had doorgebracht. Dit ging over mijn familie. Dit ging over mijn land, mijn volk, ondanks dat ik al 23 jaar in Nederland woonde. Dat zit blijkbaar heel diep.

Dat ik in Nederland ben terechtgekomen, heb ik overigens te danken aan mijn grootvader. Die verruilde in de jaren twintig van de vorige eeuw het Sloveense Krsko voor het Limburgse Nieuwenhagen, om er in de mijnen te gaan werken. Even later kwam zijn Sloveense vrouw over en de komende jaren werden vijf kinderen geboren, waaronder mijn vader. Na de Tweede Wereldoorlog keerde mijn grootvader, die communistische sympathieën koesterde, met zijn gezin terug naar het door Tito’s communisten geclaimde Joegoslavië. Zodoende kwam mijn vader in Joegoslavië (Slovenië) terecht. Hij trouwde er met een Sloveense vrouw – mijn moeder –, en in 1957 werd ik geboren. Eind jaren zestig besloot mijn vader, die altijd was blijven verlangen naar het land van zijn jeugd, naar Nederland terug te keren. Zodoende kwam ik, op 11-jarige leeftijd, in Nederland terecht.

Om niet, zoals mijn ouders de komende jaren, voortdurend verscheurd te worden tussen twee werelden, maakte ik ergens voorbij de puberteit bewust de keuze voor Nederland. Dat hield in dat ik niet de rest van mijn leven heen en weer wilde blijven reizen, zowel letterlijk als figuurlijk, maar hier mijn leven wilde inrichten. Ik wilde rust in mijn hoofd. Anders kwam ik nooit verder. Natuurlijk bleef ik ook gewoon Sloveen, en Joegoslaaf, alleen deed ik daar verder niks mee.

Tot in 1991 de geschiedenis de Sloveen in mij weer wakker riep.

 

Mijn vaderland wilde, net als de rest van Oost-Europa dat vlak daarvoor had gedaan, de weg van vrijheid, democratie en mensenrechten in slaan – wat binnen de Joegoslavische federatie niet mogelijk was gebleken. Binnenkort zouden de Slovenen waarschijnlijk zelfs voor het eerst in de geschiedenis baas zijn in eigen huis. Hoe kon ik hier afzijdig van blijven? Hier moest ik bij zijn. Hier wilde ik mijn steentje aan bijdragen. Als journalist met de juiste achtergrondkennis zag ik het als mijn plicht om het Nederlandse volk te vertellen hoe het zat, waarom de Slovenen dit wilden.

Daarom reisde ik in juni 1991, samen met een Nederlandse fotografe, wederom naar Ljubljana, dit keer om Slovenië’s aangekondigde afscheiding van Joegoslavië mee te maken en erover te schrijven voor wie maar wilde publiceren.

Hoe nodig dat was, werd mij nog eens duidelijk toen ik op een avond met de fotografe en een Sloveense vriend op een terrasje langs de Ljubljanica zat te eten. Een uur daarvoor had het Sloveense parlement drie wetten aangenomen, waarmee het land zich definitief onafhankelijk had verklaard. Een man, die zich voorstelde als journalist van de Duitse publieke omroep, sprak ons aan. Hij had uit de grote fototas en uit onze deels Engelse en deels Sloveense conversatie afgeleid dat we journalisten waren. Of het al gebeurd was, wilde hij weten. ‘Yes, an hour ago,’ antwoordde ik. ‘Really?’ reageerde hij verbaasd. ‘I thought people would go out on the streets, waving flags. But it’s so quiet. I don’t understand it.’

Deze man, met een hoofd vol stereotiepe beelden van revoluties en waarschijnlijk voor het eerst van zijn leven in Slovenië, moest de Duitse televisiekijker gaan uitleggen wat er aan de hand was. Hij had geen idee. Geen idee dat de Slovenen hier al jaren mee bezig waren. Het was niet zo dat ze nu opeens roekeloos de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen. Hier was een jarenlange en moeizame weg aan voorafgegaan, vol dreigementen, provocaties en agressie vanuit Belgrado. Dit was slechts een volgende, hopelijk laatste stap om uit ‘de greep van de Balkan’ te komen. Daarnaast wachtte behalve de vrijheid na de onafhankelijkheid waarschijnlijk ook een diepe economische crisis. Ik had de Duitse journalist kunnen zeggen: zie het maar als een scheiding na een lang huwelijk – dan ga je ook niet juichend over straat. Maar dit soort metaforen bewaarde ik natuurlijk voor mijn eigen stukken.

 

Op 26 juni stond ik ’s avonds op het grote plein voor het parlementsgebouw en zag de Migs van het JNA dreigend laag over de menigte scheren, terwijl president Milan Kucan zijn toespraak hield. ‘Wij zijn een vreedzaam volk,’ zei hij. ‘Het is niet nodig vliegtuigen op ons af te sturen.’ De Sloveense vlag werd ceremonieel gehesen, het volkslied klonk. Daarna vierde Ljubljana de hele nacht feest. Ik was erbij en ik genoot met volle Sloveense teugen.

‘Morgen is een nieuwe dag,’ waren Kucan’s laatste woorden geweest. En inderdaad, toen ik de volgende ochtend na een korte slaap naar buiten ging, denderden er tanks over de Celovska Cesta. Het JNA had de kazernes verlaten en stoomde op richting grensovergangen met Oostenrijk en Italië. Andere eenheden trokken vanuit Kroatië het land binnen, hoorde ik op de radio. De eerste schoten waren al gelost. Slovenië was in oorlog.

De dag erna vonden door het hele land hevige gevechten plaats tussen JNA-eenheden en de Territoriale Defensie (het Sloveense leger). Vliegveld Brnik werd gebombardeerd. Twee kilometer achter het huis van een oom, waar ik jarenlang de zomervakanties had doorgebracht, vond de slag bij Medvedjek plaats. Een vriend was er als officier bij de Territoriale Defensie bij betrokken. Ik vreesde voor zijn leven. Er waren al slachtoffers gevallen, aan beide zijden.

Alle toegangswegen tot Ljubljana waren inmiddels gebarricadeerd met bussen en vrachtwagens volgeladen met stenen. Een vriend die alle sluipwegen kende fungeerde als taxi en dankzij mijn perskaart en mijn Sloveens kwamen we met gemak door alle checkpoints. Terwijl ik in het centrum van Ljubljana stond te wachten op een parlementslid die ik wilde interviewen, werd voor mijn ogen een JNA-helikopter uit de lucht geschoten.

Wat ik me vooral herinner van die dagen is de voortdurende dreiging, waar je ook was. Een Mig duikt opeens omlaag, komt recht op je af. Voor de zekerheid schiet je maar een portiek in. Achter een huis vallen opeens schoten, mensen rennen in paniek alle kanten op, kinderen meesleurend, en zelf zoek je ook maar een veilig heenkomen. En altijd en overal die radio op vol volume, met even verontrustende als tegenstrijdige berichten.

Waar enkele maanden geleden het perscentrum nog uitgestorven was, puilde het nu uit met meer dan driehonderd buitenlandse journalisten. De hele wereldpers was op het geweld af gekomen. Velen hadden waarschijnlijk eerst in de atlas moeten opzoeken waar Slovenië (niet te verwarren met Slowakije) lag. Later zag ik in Nederland de journaaluitzendingen van die dagen terug, met onzinteksten als ‘En zo zakt Slovenië steeds verder weg in het moeras der etnische conflicten…’ Er was niets etnisch aan het hele conflict.

Dag drie of vier bombardeerde het JNA alle Sloveense communicatiezendmasten. Uit Belgrado klonk harde taal. Aan het einde van de week leek het erop dat de oorlog nog verder zou escaleren. Er werd gevreesd voor luchtaanvallen op civiele doelen. In Ljubljana verbleven mensen al in schuilkelders en de stad werd ’s avonds verduisterd. Een angst daalde neer over het land, de angst voor een gestaag naderend onheil, te gruwelijk om je er een voorstelling van te maken.

Straks kom ik hier niet meer weg, was een gedachte die mij steeds meer bezighield. Het vliegveld lag in puin en de grensovergangen waren een war zone. Toen ik hoorde dat internationale treinen nog wel reden, besloot ik te gaan. En zo liep ik die vrijdag- of zaterdagavond door een aardedonker unheimisch Ljubljana, op elke straathoek tegengehouden door pas gemobiliseerde bange Sloveense soldaten, die ik alle sterkte toewenste, naar het station, waar ik inderdaad zo op de trein naar München kon stappen. Tegen middernacht reden we probleemloos Oostenrijk binnen en de volgende avond was ik thuis in Haarlem, nog steeds vol adrenaline, dat nu echter nergens meer toe diende.

 

Ik schreef een lang stuk over de Slovenen en hun motieven, dat als cover story werd geplaatst in weekblad De Groene Amsterdammer. Een uitgebreid verslag van mijn week in Slovenië verscheen, eveneens als omslagverhaal, in opiniemaandblad De Vrije. In de Volkskrant kon ik een emotioneel pleidooi voor erkenning van Slovenië’s onafhankelijkheid kwijt. De wereldleiders, inclusief de Nederlandse overheid, hamerden op dat moment nog steeds op het behoud van de federatie Joegoslavië.

Naar aanleiding van het artikel in de Volkskrant werd ik uitgenodigd om lid te worden van het Comité Erkenning Slovenië, dat zojuist was opgericht door een aantal Slovenen in Nederland en als doel had ‘het verwerven van maatschappelijke en politieke steun voor de onafhankelijkheid van Slovenië via beïnvloeding van de politieke en relevante maatschappelijke groeperingen en instellingen’. Ik kwam terecht in een bovenwoning in de Utrechtse binnenstad, waar een gemêleerd gezelschap in Nederland wonende Slovenen zich had verzameld: een studente, een restauranteigenaar, een journalist, een leraar, een huisvrouw.

Tijdens die eerste bijeenkomst hebben we een petitie opgesteld, die daarna werd aangeboden aan de Tweede Kamer-commissie voor buitenlandse zaken. Citaat 1: ‘Waarom laat het Westen, dat voortdurend het streven van de Oosteuropese volkeren naar vrijheid en democratisering heeft gesteund, het afweten op het moment dat de Slovenen de keus van de Polen, Hongaren, Oostduitsers, Tsjechen en Slowaken, Roemenen, Bulgaren en Albanezen willen volgen?’ Citaat 2: ‘Waarom moet het vrijheidsstreven van de Slovenen worden opgeofferd aan de Westerse wens tot behoud van de kunstmatige staat Joegoslavië? Een land dat blijkbaar alleen nog kan worden gehandhaafd met militair geweld.’ Of de petitie de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek heeft bereikt en of hij er vervolgens iets mee gedaan heeft, is mij niet bekend.

Dit was overigens de enige keer in mijn hele leven dat ik mij als a-politiek persoon direct met politiek heb bemoeid. Als je geboorteland op het spel staat, ben je kennelijk tot alles in staat. Zelfs tot het schrijven van ingezonden brieven naar kranten, om de kromme berichtgeving te corrigeren. Bijna al die brieven zijn ook geplaatst.

 

Achteraf is er heel wat gespeculeerd over de tiendaagse oorlog in Slovenië. Wat te denken van het cynische verhaal dat de oorlog afgesproken werk was geweest, in scène gezet om het

JNA en de federale machthebbers niet te veel gezichtsverlies te laten lijden bij het loslaten van Slovenië. Ik geloof er niks van. Ik denk dat de Slovenen met hun moedig verzet werkelijk het JNA op de knieën hebben gekregen en dat Belgrado daarop niet anders kon dan Slovenië opgeven.

Ook ben ik ervan overtuigd dat ook deze oorlog deels of grotendeels een mediaoorlog was. Het Sloveense ministerie van Informatie speelde daarin een belangrijke rol, door met name tijdens de oorlogsdagen Slovenië slim te positioneren als de kleine democratische David die tegen de grote ondemocratische Goliath streed. De jonge, goed opgeleide en welbespraakte Sloveense politici beheersten dit spel veel beter dan de vergrijsde generaals van het JNA, die waren blijven steken in de retoriek van een reeds vergaan communistisch tijdperk, en dat is wellicht een beslissende factor geweest bij de overwinning.

Op 7 juli al werd het Akkoord van Brioni getekend, en in oktober verlieten de laatste JNA-troepen het land. Niet lang daarna wapperde bij de Verenigde Naties de Sloveense vlag en kon Slovenië zich gaan opmaken voor een toetreding tot de Europese Unie.

Ik schreef nog een aantal artikelen, onder meer over de Sloveense transportsector die popelde om Europa te betreden, over de identiteitscrisis van de Joegoslavische restaurants in Nederland en over de toeristische attracties van Slovenië. Toen zat mijn taak erop. Ik was erbij geweest, ik had mijn – minieme – bijdrage geleverd. De Sloveen in mij kon weer gaan slapen.

 

Omdat het politieke doel was bereikt, werd het Comité Erkenning Slovenië eind 1991 opgeheven en omgezet in de Vereniging Vrienden van Slovenië. Vanwege het in mijn ogen voornamelijk folkloristische karakter, haakte ik na een tijdje af. Ik heb weinig met de traditionele Sloveense zang, dans en hoempapamuziek. Ik luisterde liever naar de Kroatische band Azra.

In de jaren negentig heb ik met mijn – Nederlandse – vriendin (inmiddels echtgenote) twee keer Slovenië bezocht, om haar te laten kennismaken met mijn roots en mijn familie. Later zijn we er ook twee keer met onze kinderen geweest.

De laatste jaren verliep mijn contact met Slovenië voornamelijk via mij ouders, die vanuit hun seniorenflat dankzij e-mail en Skype wekelijks, zo niet dagelijks contact hebben met familie en vrienden in Slovenië, Limburg en elders. Een paar keer per jaar krijgen ze ook bezoek uit Slovenië, waar ik dan gezellig bij aanschuif en me tot mijn verbazing iedere keer weer aardig weet te redden met mijn in de loop der jaren wat roestig geworden Sloveens.

Niet zo lang geleden kwam Slovenië opeens via de tv mijn leven binnen. Een van de omroepen zond Odgrobadogroba (Gravehopping) uit, een film die de Sloveense ziel zo treffend blootlegt dat je er als (ex-)Sloveen nog maanden last van hebt. En eind 2010 belandde Met de buik het brood achterna in mijn handen, een boek over de geschiedenis van de Sloveense gemeenschap in Nederland, waarmee mijn hele Sloveense, in de Limburgse mijnen begonnen verleden weer werd opgerakeld.

Behalve bij dit soort ‘incidenten’ speelt Slovenië verder geen rol van betekenis in mijn dagelijkse leven. Ik leef als Nederlander onder de Nederlanders, met een Nederlandse vrouw, twee oer-Hollandse kinderen en met de Nederlandse taal als mijn werk. Alleen uit mijn achternaam zou je kunnen afleiden dat ik misschien een andere achtergrond heb. Mensen vragen me ook wel eens, als ze mijn achternaam zien: ‘Waar kom je vandaan?’ Ik zeg dan altijd: ‘Uit Utrecht.’

 

Igor Znidarsic

 

Igor Znidarsic (53) is geboren in Slovenië (toen nog Joegoslavië) en woont sinds 1968 in Nederland. Zijn Sloveens-Nederlandse verleden begon bij zijn grootvader, die in de jaren twintig van de vorige eeuw Slovenië verruilde voor Nederlands Limburg, om er in de mijnen te gaan werken. Na de Tweede Wereldoorlog keerde hij weer terug naar Joegoslavië, met inmiddels vijf kinderen. Een van die kinderen, de vader van Igor Znidarsic, bleef verlangen naar het land van zijn jeugd en keerde eind jaren zestig met vrouw en twee kinderen terug naar Nederland. Zodoende kwam Igor Znidarsic op 11-jarige leeftijd in Nederland terecht. Hij maakte de lagere school af in Utrecht en volgde daarna het Atheneum in Heemstede.

Na de middelbare school heeft hij, niet precies wetend wat te doen, een tijdlang wat aangemodderd. Drie keer probeerde hij op een kunstacademie te komen, vergeefs. Ondertussen had hij allerlei baantjes. Midden jaren tachtig begon hij te schrijven, zowel fictie als non-fictie. De non-fictie werd al snel gepubliceerd in diverse tijdschriften, en voor hij het wist kon hij zich journalist noemen.

Freelancen werd afgewisseld door banen in loondienst, als redacteur, eindredacteur en hoofdredacteur van diverse tijdschriften. Hij was tien jaar hoofdredacteur van het vakblad Food Hospitality, sinds september 2010 werkt hij bij de Vereniging van Nederlandse Chemische Industrie, als hoofdredacteur van Chemie magazine.

Igor Znidarsic woont in Utrecht, is getrouwd en heeft twee zonen van 13 en 16.

 

Igor Znidarsic is ook schrijver. Onlangs verscheen zijn debuutroman 'Diepgevroren makrelen'. Meer info: www.igorznidarsic.nl